AZ-900 is een fundamentals-examen dat verder gaat dan het herkennen van losse Azure-services. Wie zich vooral richt op producttrivia mist de kern: het examen toetst vooral of iemand cloudconcepten, Azure-architectuur, beveiliging, kosten en governance in context kan herkennen en uitleggen.
Laatst bijgewerkt: 28 juli 2026. Microsoft Azure Fundamentals, gekoppeld aan het AZ-900-examen, is bedoeld voor mensen die Azure willen begrijpen voordat zij dieper een beheer-, ontwikkel-, data- of securityrichting kiezen. De waarde zit niet in diepe configuratiekennis, maar in het kunnen uitleggen waarom een organisatie een bepaalde cloudkeuze maakt, welke verantwoordelijkheid bij Microsoft ligt en welke verantwoordelijkheid bij de klant blijft.
AZ-900 is de basiscertificering voor Microsoft Azure. De officiële examendoelen zijn opgebouwd rond cloudconcepten, Azure-architectuur en Azure-services, plus beheer, governance, beveiliging en kosten. In Microsoft Learn en de Azure-documentatie worden die doelen steeds vaker beschreven met werkwoorden als beschrijven, identificeren en vergelijken. Dat is een belangrijk signaal voor de manier van studeren: kandidaten moeten verbanden begrijpen, niet alleen productnamen herkennen.
Een beginnende cloudprofessional moet bijvoorbeeld kunnen uitleggen wat het verschil is tussen IaaS, PaaS en SaaS, waarom schaalbaarheid iets anders is dan elasticiteit en hoe het model voor gedeelde verantwoordelijkheid werkt. Bij Azure-services gaat het vervolgens om de grote lijnen: virtuele machines voor infrastructuurcontrole, Azure App Service voor webapplicaties, Azure Functions voor eventgedreven serverless werk en Azure Storage voor verschillende vormen van gegevensopslag.
Dezelfde logica geldt voor beheer en governance. Een kandidaat hoeft geen complexe enterprise landing zone te ontwerpen, maar moet wel begrijpen waarom management groups, subscriptions, resource groups, Azure Policy, role-based access control en tags samen nodig zijn om een omgeving beheersbaar te houden. Een governance-first benadering voorkomt dat omgevingen later uit losse resources bestaan waarvan niemand goed weet wie eigenaar is, welke kosten erbij horen of welke regels erop van toepassing zijn.
AZ-900 past goed bij mensen die met cloud te maken krijgen, maar nog geen stevige Azure-basis hebben. Dat kunnen servicedeskmedewerkers, junior systeembeheerders, developers, projectmanagers, business stakeholders, securitymedewerkers of sales- en presalesprofielen zijn. De certificering heeft geen verplichte voorkennis en is daarom vaak de eerste kennismaking met Microsofts cloudplatform.
Toch is AZ-900 niet voor iedereen de meest efficiënte route. Wie al dagelijks Azure-resources beheert, kan soms beter direct naar een rolgerichte certificering kijken, zoals Azure Administrator Associate. Wie vooral met data, AI of security werkt, kan na een korte Azure-basis sneller richting een fundamentals-certificering in dat domein bewegen. De praktische vuistregel is eenvoudig: ontbreekt het algemene cloudbegrip nog, dan is AZ-900 zinvol; bestaat dat fundament al, dan kan een rolgerichte of domeingerichte vervolgstap sneller rendement opleveren.
Voor lezers die een gestructureerd leerpad willen volgen, kan een Azure Fundamentals cursus helpen om de examendomeinen in een logische volgorde te behandelen. Het belangrijkste blijft dat training wordt gecombineerd met korte oefeningen in de Azure-portal, omdat begrippen zoals resourcegroep, RBAC en Cost Analysis pas echt blijven hangen wanneer ze zichtbaar worden in een werkende omgeving.
De basis van AZ-900 begint met cloud computing zelf. Azure is een publieke cloud, maar organisaties gebruiken het platform vaak in hybride scenario’s waarin lokale systemen, SaaS-diensten en cloudresources naast elkaar bestaan. Dat is de reden waarom begrippen als publieke cloud, private cloud en hybride cloud nog steeds relevant zijn, ook voor een fundamentals-examen.
De servicemodellen IaaS, PaaS en SaaS vormen daarbij een terugkerend onderscheid. Bij IaaS beheert de klant meer onderdelen zelf, zoals het besturingssysteem en de applicatieconfiguratie. Bij PaaS neemt Microsoft meer platformbeheer over, terwijl de klant zich sterker richt op code, data en configuratie. Bij SaaS gebruikt de organisatie vooral een kant-en-klare applicatie. Het examen vraagt meestal niet naar randdetails, maar naar het herkennen van het juiste model in een scenario.
Een nuttige mini-lab voor dit domein is het vergelijken van twee Azure-diensten in de portal. Open de Azure-portal, zoek naar Virtual machines en bekijk welke keuzes nodig zijn voor image, size, netwerk en opslag. Zoek daarna naar App Services en vergelijk hoeveel infrastructuurkeuzes verdwijnen. Die oefening maakt het verschil tussen infrastructuurcontrole en platformabstractie concreter dan een definitie alleen.
Azure is opgebouwd rond regio’s, availability zones, datacenters en regioparen. Een regio is een geografisch gebied waarin Azure-diensten beschikbaar zijn. Een availability zone is een fysiek gescheiden locatie binnen een regio, bedoeld om workloads beter bestand te maken tegen lokale storingen. Een regiopaar bestaat uit twee regio’s binnen dezelfde geografische grens of marktcontext die Microsoft gebruikt voor platformherstel en geplande updates. Deze termen lijken op elkaar, maar ze betekenen iets anders in ontwerpbeslissingen.
Ook opslagredundantie hoort bij dit onderwerp. Locally redundant storage bewaart kopieën binnen één datacenter of locatiecontext, zone-redundant storage spreidt gegevens over zones binnen een regio en geo-redundant storage repliceert naar een tweede regio. Geo-zone-redundant storage combineert zone- en geo-redundantie waar de dienst dat ondersteunt. Voor AZ-900 is vooral belangrijk dat veerkracht een ontwerpkeuze is met gevolgen voor beschikbaarheid, herstelmogelijkheden en kosten.
Een praktische oefening is het aanmaken van een resource group. Kies in de Azure-portal voor Resource groups, selecteer Create, kies een subscription en regio, en geef de groep een herkenbare naam volgens een eenvoudige conventie, bijvoorbeeld rg-learn-az900-weu. Voeg daarna onder Tags een sleutel als costCenter of environment toe. Deze kleine handeling laat zien hoe Azure resources logisch groepeert en hoe tags later helpen bij kostenanalyse en eigenaarschap.
Bij compute gaat AZ-900 vooral over het herkennen van de juiste rekenoptie. Virtuele machines zijn geschikt wanneer een organisatie veel controle nodig heeft over het besturingssysteem. Azure App Service past bij webapps waarbij platformbeheer minder aandacht moet vragen. Azure Functions is bedoeld voor korte, eventgedreven taken. Containers komen aan bod als manier om applicaties consistent te verpakken en uit te voeren.
Storage draait om het kiezen van het juiste type opslag. Blob Storage is bedoeld voor ongestructureerde gegevens zoals afbeeldingen, back-ups of logbestanden. Azure Files biedt gedeelde bestandstoegang via bekende protocollen. Queue Storage helpt bij eenvoudige berichtenverwerking tussen applicatieonderdelen. Disk Storage ondersteunt virtuele machines. Het examen verwacht vooral dat iemand een opslagscenario kan koppelen aan een passende dienst.
Networking vormt de verbindingslaag. Virtual networks, subnets, network security groups, VPN Gateway, ExpressRoute en load balancing komen in fundamentals-vorm voorbij. De kandidaat hoeft geen complex netwerk te bouwen, maar moet begrijpen waarom segmentatie, private connectivity en toegangsregels belangrijk zijn. In veel organisaties ontstaan cloudproblemen niet doordat één dienst verkeerd is gekozen, maar doordat netwerkontwerp, identiteit en governance pas achteraf worden toegevoegd.
Een belangrijk actueel punt is de naamgeving rond identiteit. Azure Active Directory heet tegenwoordig Microsoft Entra ID. In oudere blogs, dashboards, trainingsmateriaal en gesprekken wordt nog vaak Azure AD gezegd, terwijl Microsoft-documentatie en examenomgevingen steeds vaker de nieuwe naam gebruiken. Wie beide termen herkent, voorkomt verwarring tijdens studie en praktijk.
Identiteit is de basis van toegang in Azure. Microsoft Entra ID beheert gebruikers, groepen, applicaties en aanmeldingen. Azure role-based access control bepaalt vervolgens wat een identiteit mag doen op een bepaald bereik, zoals een management group, subscription, resource group of resource. Azure Policy doet iets anders: het dwingt regels en standaarden af, bijvoorbeeld welke regio’s zijn toegestaan of welke tags verplicht zijn. RBAC gaat dus over machtigingen; Policy gaat over naleving van regels.
Een korte portal-oefening maakt dat verschil zichtbaar. Open een resource group, kies Access control (IAM), bekijk Role assignments en voeg eventueel in een testomgeving een lezerrol toe aan een testgebruiker of testgroep. Open daarna Policy en bekijk de ingebouwde definities voor tagvereisten of toegestane locaties. De eerste actie laat zien wie iets mag bekijken of beheren; de tweede laat zien welke regels de omgeving moet volgen.
Het model voor gedeelde verantwoordelijkheid loopt door alle beveiligingsonderwerpen heen. Microsoft beveiligt de onderliggende clouddiensten en fysieke infrastructuur, terwijl de klant verantwoordelijk blijft voor zaken zoals identiteit, toegangsbeheer, dataclassificatie, configuratie en applicatiebeveiliging. De precieze verdeling hangt af van het servicemodel. Bij IaaS ligt meer beheer bij de klant dan bij PaaS of SaaS.
Kostenkennis voor AZ-900 gaat verder dan het algemene idee dat cloud op verbruik is gebaseerd. Pay-as-you-go past bij flexibiliteit en variabele workloads. Reservations kunnen geschikt zijn wanneer capaciteit voor langere tijd voorspelbaar nodig is. Spot VM’s kunnen lagere kosten bieden voor onderbreekbare workloads. Dev/test-abonnementen zijn bedoeld voor niet-productiescenario’s onder specifieke voorwaarden. De exacte prijzen veranderen, dus kandidaten doen er goed aan de Azure Pricing Calculator en Cost Management samen te gebruiken in plaats van bedragen te onthouden.
Een nuttige oefening begint buiten de portal met de Azure Pricing Calculator van Microsoft. Kies een eenvoudige virtuele machine, voeg opslag toe en verander regio, grootte of gebruikspatroon. Open daarna in de Azure-portal Cost Management, kies Cost analysis en filter op resource group of tag. Zo wordt duidelijk hoe raming en werkelijke kosten elkaar aanvullen: de calculator helpt vóór implementatie, Cost Analysis helpt tijdens gebruik.
Service level agreements horen bij beschikbaarheid, maar ze vervangen geen goed ontwerp. Een SLA beschrijft de beschikbaarheidsdoelstelling van een dienst onder bepaalde voorwaarden. Als een applicatie afhankelijk is van meerdere diensten, moet de architectuur als geheel worden bekeken. Availability zones, load balancing, back-up, opslagredundantie en herstelprocedures bepalen samen hoe robuust een oplossing is.
Voor fundamentals-leerlingen is het vooral belangrijk om regio, zone, regiopaar en opslagredundantie niet door elkaar te halen. Een availability zone beschermt tegen uitval binnen een regio, terwijl geo-redundante opslag een kopie in een andere regio toevoegt. Een regiopaar zegt iets over Azure’s regionale relatie, maar maakt een applicatie niet automatisch multi-region. Die nuance komt in praktijkgesprekken vaak terug wanneer business stakeholders een eenvoudige vraag stellen: wat gebeurt er als deze locatie of dienst tijdelijk niet beschikbaar is?
Governance voelt voor beginners soms als een enterprise-onderwerp, maar juist in een kleine leeromgeving is het goed om de juiste gewoonten te ontwikkelen. Een heldere naamgevingsconventie, verplichte tags, aparte resource groups en minimale rechten voorkomen dat een Azure-omgeving onoverzichtelijk wordt. Wanneer dezelfde patronen later op subscriptions en management groups worden toegepast, is opschaling eenvoudiger.
Azure Advisor en Azure Monitor ondersteunen dit beheer vanuit verschillende invalshoeken. Advisor geeft aanbevelingen over onder meer kosten, beveiliging, betrouwbaarheid en prestaties. Azure Monitor verzamelt metrische gegevens en logs waarmee teams gedrag en incidenten kunnen analyseren. In AZ-900 gaat het niet om diepe queryvaardigheid, maar om begrijpen welke dienst helpt bij observability, aanbevelingen en operationeel inzicht.
Een praktische oefening is het toepassen van een eenvoudige tagregel. Maak een resource group aan, voeg tags toe zoals environment=lab en owner=training, en open daarna Cost Management om te zien hoe filteren op tags werkt zodra kosten beschikbaar zijn. Bekijk vervolgens Azure Policy en zoek naar ingebouwde policy’s rond tags. Deze route verbindt governance direct met kostenallocatie, een koppeling die in echte Azure-omgevingen snel belangrijk wordt.
Een goede AZ-900-oefenvraag test begrip in plaats van productgeheugen. Neem dit scenario: een organisatie wil voorkomen dat nieuwe resources zonder kostenlabel worden aangemaakt. Welke Azure-functie past het best bij deze eis? De opties zijn Azure RBAC, Azure Policy, Microsoft Entra ID of Azure Monitor.
Het juiste antwoord is Azure Policy, omdat Policy regels kan afdwingen of controleren, zoals verplichte tags op resources. Azure RBAC is onjuist omdat RBAC bepaalt wie acties mag uitvoeren, niet welke configuratieregel elke resource moet volgen. Microsoft Entra ID beheert identiteiten en aanmeldingen, maar dwingt geen resource-tagging af. Azure Monitor helpt bij observatie en waarschuwingen, maar is niet bedoeld om governance-eisen zoals verplichte tags structureel af te dwingen.
Een goed studieplan volgt de officiële domeinen, maar behandelt ze als samenhangende thema’s. Begin met cloudconcepten, ga daarna naar Azure-architectuur en kernservices, en sluit af met beveiliging, governance, beheer en kosten. Die volgorde voorkomt dat losse productnamen belangrijker lijken dan het ontwerpdenken achter Azure.
Een veelgemaakte fout is te lang blijven hangen in lijsten met services. Dat voelt productief, maar levert minder begrip op dan korte labs rond resource groups, RBAC, Policy en Cost Analysis. Een andere fout is kostenbeheer pas aan het einde te bekijken. In echte cloudomgevingen zijn kosten, eigenaarschap en toegangsbeheer vanaf dag één ontwerpvragen, niet administratieve details achteraf.
Na AZ-900 hangt de volgende stap af van het werk dat iemand wil doen. Wie Azure-omgevingen gaat beheren, kiest vaak een administratorrichting. Wie applicaties bouwt, heeft meer aan een ontwikkelpad. Wie met data werkt, kan richting datafundamentals of dataplatformen gaan. Wie vooral met identiteit, compliance en security bezig is, zal eerder security- en compliancecertificeringen onderzoeken.
Het bredere aanbod aan Microsoft Azure trainingen kan helpen om die routes te vergelijken zonder meteen een te specialistisch pad te kiezen. Organisaties die meerdere Microsoft-rollen willen ontwikkelen, kijken soms naar bredere toegang tot Microsoft-trainingen, maar de inhoudelijke keuze moet altijd beginnen bij de rol, niet bij het aantal mogelijke certificeringen.
AZ-900 is het nuttigst wanneer het wordt benaderd als een taal- en begripsfundament voor Azure. Wie cloudmodellen, regio’s, identiteit, gedeelde verantwoordelijkheid, kosten en governance helder kan uitleggen, heeft een betere basis voor gesprekken met beheerders, ontwikkelaars, securityteams en business stakeholders.
Readynez kan daarbij een gestructureerde route bieden, maar de kern blijft hetzelfde: combineer de officiële Microsoft Learn-doelen met korte portal-oefeningen en scenario-denken. Wie wil bespreken welke leerroute past bij een team of rolprofiel, kan contact opnemen voor advies over een passend vervolg.
Krijg onbeperkte toegang tot ALLE LIVE Microsoft-cursussen onder leiding van een instructeur die u wilt - allemaal voor de prijs van minder dan één cursus.
U bekijkt onze Netherlands (EUR) site van United States
Wilt u de site bekijken in
English
met prijzen in
Dollar?